Bidden en zingen verruimen het hart

Een van de plekken waar ik graag kom als het gaat om stilte en bezinning is het klooster in Zundert.

De monniken zingen er álle 150 psalmen, in de vertaling van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde. Bij de 49ste psalm wordt het volgende gebed gebeden: ‘God, Vader van armen en geringen, wie tot U vluchten bevrijdt Gij uit de greep van het dodenrijk. Laat ons onbevreesd, vrij en onthecht voor U leven, door Christus, onze Heer, de eerstgeborene uit de doden, die leeft met U en de heilige Geest in eeuwigheid.’
Soms komt het ene gebed en de ene psalm meer bij je binnen dat de andere maar dit gebed wist me te raken. Als je de enigszins plechtige en liturgische taal voor lief neemt, ontdek je gaandeweg dat ieder woord een functie en een betekenis heeft die het nodige bij de bidder oproept. In de context van de laatste zondag van het kerkelijke jaar, de dag waarop veel protestantse kerken de namen van de mensen die zijn overleden gedenken, is het zeker een passend gebed. Je vertrouwt je dierbare doden toe aan de Eeuwige God. Je doet dat met het oog gericht op Christus die ons voor is gegaan in leven en sterven. In de periode van de Advent die na de laatste zondag begint proberen we dat besef ook wakker te houden: het licht van Christus dat dood en duisternis overwint.
Het is niet iets dat vanzelf gaat, er is veel dat ons afleidt. Ons hoofd en ons hart zitten soms vol met de vragen en zorgen van elke dag. Maar de voorbereidingstijd op Kerst is daar precies voor bedoeld om onbevreesd, vrij en onthecht te leven en ons open te stelen voor de komst van het Christuskind in ons bestaan. We trekken er in de kerk vier weken voor uit. Alleen al het aansteken van een kaarsje helpt. Elke zondag steken we een kaarsje meer aan totdat er uiteindelijk vier kaarsen branden die heel veel licht zullen geven. We bidden en we zingen: ‘Want het licht is sterker dan het donker en het daglicht overwint de nacht’ (lied 286).

Ds. J.Hilverda