De bouw van Christus’ kerk (Lied 971)

In mijn broekzak zat een tijdje een steentje.

Dat steentje wilde me herinneren aan een kerkdienst die we lang geleden een keer hadden gehouden. Na afloop van de dienst kregen we allemaal een steentje mee. In de kerk klonk het woord van de apostel Petrus die schreef ‘… en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken.’ Het staat in de eerste brief van Petrus, het tweede hoofdstuk. Vandaar het thema van de dienst: ‘Een steentje bijdragen’. We werden uitgenodigd allemaal een steentje bij te dragen aan de gemeente. En nu ik de mijne weer voor op mijn bureau heb liggen en de vorm ervan bekijk, bedenk ik me dat wel geen een steen hetzelfde zal zijn en de mensen, die een steen uit het mandje voor in de kerk mochten halen, evenmin.

We zijn allemaal verschillend. Desondanks slagen we erin samen een gemeente te vormen, terwijl we dus weten dat de gemeente van Christus bestaat uit een heel divers gezelschap. Niet alleen wat betreft leeftijd of geloof maar ook wat betreft karakter en temperament, inzet en betrokkenheid. De een komt bij voorbeeld wel eens in een kerk, de ander vrijwel nooit. Voor de schrijver van de eerste Petrusbrief betekende dat echter niet dat hij ze allemaal apart aanschreef. De mensen waren op een of andere wijze lid van de gemeente van Christus en dat was voor hem voldoende. Hij richtte zich tot hen allen, wie ze ook waren, wat hun status ook maar was. Wat hem met hen verbond was het woord van het evangelie en dat was voor hem het belangrijkste. Hij besefte dat ze zeer waarschijnlijk maar gewone mensen waren die net als ieder ander te maken hadden met zoals hij schreef: ‘bedrog en huichelarij, afgunst en kwaadsprekerij’; ze zouden zich hiervan moeten ontdoen, vond diezelfde Petrus.

Omdat de tijden niet veranderd zijn, de woorden nog even actueel, en mensen tot op de dag van vandaag worstelen met hun plek in de kerk en de samenleving, kunnen we er ons voordeel meedoen. Tenminste, als we de moed hebben om ons eigen gedrag onder ogen te zien en ons te realiseren dat we het er niet veel beter van afbrengen dan die allereerste gemeenten van Christus. Ik vind dat wel een troostrijke gedachte, negatieve gevoelens horen er nu eenmaal bij. Er is ook niks mis mee, zolang we elkaar maar kunnen blijven groeten, er dus niet in blijven hangen. Dan blijken we in staat te zijn ons te laten gebruiken als levende stenen voor de bouw van Christus’kerk. Dan blijken we in staat onszelf te overwinnen, dankzij de kracht van de Geest die blijft waaien en mensen weet te inspireren. Iedereen doet daar op zijn of haar manier iets mee. Iedere bijdrage, hoe bescheiden ook, is waardevol.

Ik kijk opnieuw naar het steentje dat ik te voorschijn heb gehaald. Het ziet er wat plat en onooglijk uit. Ik vind het helemaal geen mooi steentje. Totdat ik me realiseer dat de vorm iets van een driehoek heeft, en opeens moet ik denken aan dat grote gebod dat Jezus ons leerde: van God liefhebben (de top van de driehoek), de naaste en jezelf (de twee uiteinden aan de basis, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn). Het is een hele klus om God, de ander en ook nog eens jezelf lief te hebben. Ik leg mijn steentje bij de andere steentjes die ik in de loop van mijn leven heb opgeraapt. Samen ziet het er toch wel aardig uit, samen vormen ze toch wel het begin van wat een wankel maar fraai bouwwerkje zou kunnen worden. Al die steentjes zijn niet stuk te krijgen en hebben al heel wat stormen doorstaan en heel wat liefde en vreugde gebracht! Goed dat we samen gemeente zijn, in alle verscheidenheid.

ds. J. Hilverda