Vrij zijn

De zomer is de tijd waarin we een pas op de plaats mogen maken.

Na werk en school breekt er een tijd aan waarin alles even niet meer hoeft. We mogen even op adem komen. Zeker als de afgelopen periode gepaard ging met drukte, ziekte of stress, kan de zomer een weldadige periode zijn. Ook als het geld ontbreekt of de gezondheid of het werk het eenvoudig niet toelaten om weg te kunnen is er de behoefte om nu en dan afstand te nemen van de dagelijkse sores. Maar hoe doe je dat? Want los van de vraag of je wel of niet vakantie hebt, wel of niet op reis gaat, wel of geen mogelijkheid ziet om vrij te zijn, los van de vraag of allerlei verplichtingen je wel of niet houden op de plek waar je nu bent, blijft er de uitdaging om iets te doen met die ene vraag die Jezus ons stelde: ‘Is het leven niet meer dan voedsel en het lichaam meer dan kleding?’ (Matteüs 6,25). Beseffen dat er meer is in het leven behoedt ons voor de gekte van alledag, behoedt ons voor verdrinken in de zorgen voor morgen.

Wanneer de zomerse zon schijnt kijken we anders naar de wereld en naar onszelf. Er ontstaat ruimte om al het goeds dat ons soms zomaar en onverwacht ten deel valt, opnieuw te zien en te waarderen. De theoloog en liedboekdichter Jan Wit zou er biddend en zingend mee om willen gaan toen hij dichtte: ‘Laat dan mijn hart U toebehoren en laat mij door de wereld gaan met open ogen, open oren om al uw tekens te verstaan’ (Lied 978). Zo zouden wij kunnen leven: zingend en biddend, al is dat een methode waar niet iedereen mee uit de voeten kan.

Laat ik dan dit zeggen dat de openheid voor het gewone en alledaagse een nieuwe ervaring (maar al een heel oud besef) wakker roept dat diep in ons verborgen ligt en alleen maar aangeboord hoeft te worden. Het gebeurt op onverwachte momenten wanneer de grijze kleuren, de nevels, zomaar, onverklaarbaar, worden weggeblazen (vast door de heilige Geest) en het aardse leven helemaal goed is, als de ziele luistert. De Vlaamse dichter Guido Gezelle leerde ons zo te luisteren dat al wat leeft en beweegt de mens tot in het diepst van zijn ziel iets heeft te zeggen. Via de zintuigen ontstaat er geloof, is er tijd voor ontspanning, voor genieten van de schepping en is er ruimte om te luisteren. Vandaag, in de vakantie en eigenlijk altijd.

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
’t lijzigste gefluister
ook een taal en teeken heeft:
blâren van de boomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stroomen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
t’diep gedoken Woord zoo zoet…
als de ziele luistert!

(‘kouten en klappen’ betekent zoiets als praten of spreken; ‘wee’ betekent weide; ‘wegelen’ zijn weggetjes)

Ds. J.Hilverda